Om de zoveel tijd komt Wafelman wel eens op TV of in de één of andere Vlaamse krant, meestal in de context van Belgen die het gemaakt hebben in het buitenland of culinaire Belgen als ambassadeurs. Wafelman is die kerel die ettelijke jaren geleden naar New York vertrok om er vanuit een bestelwagentje “authentieke Belgische wafels” te verkopen. Ik vind het heel straf wat die kerel gedaan heeft, er rijden al een hele meute van die wafelkarren door New York en zijn ondernemerschap is zonder enige twijfel succesvol uitgedraaid.
Maar toch, ik vind het iets raars. De wafel als Belgische trots in het buitenland. Eerlijk gezegd: als ik één keer per jaar een wafel eet, zal het veel zijn (meestal op de één of andere festivalweide, helemaal op het eind, als mijn bonnekes op moeten). Ik weet ook niet wat nou precies een wafel Belgisch maakt, dan wel of de Belgische wafels zoveel beter zouden zijn dan de buitenlandse. Vorig jaar, tijdens de Colombia-reis, belandde ik een paar keer in de lokale Crêpes & Waffles-keten en ik at er ook één keertje een wafel. Eentje die aangevuld werd met overheerlijke ambachtelijke ijskreem en Zuiderse vruchten. Heerlijk. Misschien zelfs beter dan een Belgische wafel. Of wacht, neen, de wafel was gewoon-een-wafel. Weinig verschil met de baksels van alhier…
Als ik in New York zou wonen of een langere tijd zou verblijven, en ik heb eens goesting in een snelle hap van bij ons, dan denk ik alsnog dat ik nog steeds niét naar dat wafelkraam zou strompelen… Ik heb er geen voeling mee, het is me zeker niet in via m’n roots ingebakken!
En dus vind ik het vreemd dat één specifiek ander product (nog?) niet zo’n buitenlandse furore heeft gemaakt: het Belgische belegde broodje. Elk dorp, elk gehucht bij ons heeft op vandaag wel zo’n broodjeszaak. En die zaken hebben ook steevast enorm veel succes: lekkere verse broodjes en een breed gamma aan charcuterie, groensel en anderen dei om er tussen te doen. Een meeneemhap die vaak véél lekkerder (en gevarieerder) is dan wat er ‘s middags snel als lunch in andere landen gehaald wordt, of het nou het broodje kroket in Nederland is, dan wel pastel de papas of een paar empanadas in Argentinië.
Naar zo’n lekker vers broodje heb ik wel eens gesmacht in Colombia. En in Argentinië indertijd. Een smoske, een martino, een broodje met zalm en ajuintjes en een klak mayonaise. De eenvoudigste hap die vaak alle inheemse alternatieven in één wip naar huis zou spelen. De hap waar ook buitenlanders die België bezoeken zich al eens graag te goed aan doen (naast de frieten met een frikandel, natuurlijk).
Het enige in het buitenland dat nog enigszins in de buurt komt, zijn de Subway-ketens… Maar geef nou toe, dat is toch enerzijds niet te vreten en anderzijds te duur voor wat het maar is?
Ik ben er van overtuigd dat het een gehaaid succes moet zijn om in een buitenlandse wereldstad (New York! Buenos Aires! Madrid! Berlijn!) met een broodjeszaak van start te gaan. Het enige praktische bezwaar dat ik mij kan indenken, is het probleem dat heel wat buitenlanden minder een brood- en charcuterie-cultuur hebben dan bij ons het geval is: het zou vaak enorm zoeken zijn om de juiste bestanddelen te vinden. Tenzij je alles zelf doet natuurlijk, broodjes bakken en beesten verwerken. Wat het dan weer iets minder praktisch haalbaar maakt.
Maar toch: ik geloof er in. En eigenlijk vind ik het heel vreemd dat ik nog niet van een dergelijke Broodjesbeleggende Belg in het verre buitenland gehoord heb. Niemand zin om het mee te gaan opstarten? In Buenos Aires, Medellin of op het strand van Copacabana?