Allez hop, het paard zit op de kar. En het spreekwoordelijke paard heet dit jaar Phaedra Hoste. Ze zoekt ne vent via een VTM-programma, in navolging van Übersnol Wendy. Er was al een inleidend tv-programma in het teken van deze zoektocht op onze Commerciële Vlaemsche Zender (mijn god, dat zijn al twéé Umlauts in één artikel, als u nou maar niet gaat denken dat u een Duits wetenschappelijk artikel aan het lezen bent) waaruit duidelijk bleek dat Phaedra er niet alleen uitstekend uitziet, maar dat ze zichzelf voor de rest ook enorm fantastisch vindt en dat de begrippen Eigendunk en Zelflof met een hoofdletter in haar persoonlijke woordenboek te lezen staan. Een woordenboek dat, zo deed diezelfde aflevering althans vermoeden, voor de rest niet echt uitgebreid is.
“Ik wil vooral een man vinden die mij kiest omwille van mijn binnenkant,” orakelde La Phaedra. Waarmee ze ogenschijnlijk leek te bedoelen “Ik weet dat ik er gewoonweg ongelooflijk fantastisch uitzie en dat ik met mijn looks alleen al het volledige Vlaamse mannendom aan mijn voeten heb, maar ik vind mezelf ook hypersuperieur op vlak van gedachten, emoties, intellect en gevoelens. Wie dat beaamt mag met mij trouwen.”
Er zouden inmiddels al meer dan 500 brieven de VTM-redactie bereikt hebben van mannen die geïnteresseerd (3!) zijn om zichzelf in het geciteerde programma te kakken te zetten in de hoop à la limite op soppige wijze hun tong in de toot van Phaedra te kunnen murwen. Als het zo gemakkelijk gaat, zou ik beter ook eens een dergelijke marketingactie (“Wie wordt de eega van Domi?”) op poten laten zetten. Ik zou alleszins niet moeten smeken dat men mij moet pakken omwille van mijn innerlijke schoonheid, want het uiterlijke op zich is gene vette.
Ik hoop in elk geval dat de tien finalisten (of hoeveel zijn het er?) die uiteindelijk in prime time om de hand van Phaedra gaan strijden, één voor één last hebben van één of meerdere lichamelijke gebreken als overtollige lichaamsbeharing, een extravagante bierbuik, een rottende tandstructuur, flaporen, loensende ogen, een lengte die de 1m55 niet overstijgt, een reusachtige bochel en/of een lijfgeur waaraan de modale Oostendse vismijn amper kan tippen. Varianten of andere gebreken uiteraard ook meer dan welkom.
Enkel op die manier zal men mij immers kunnen overtuigen dat de zoektocht van VTM oprecht (en niet in kaart gezet) is en dat ook Phaedra “volop kiest voor den binnenkant”.
Want binnenkanten zijn belangrijk.